Deze woorden spreekt een romanfiguur in het boek Een ogenblik van liefde van Martin Walser. Deze Duitse auteur is 80 jaar, maar vertoont geen spoor van matheid.

De hoofdpersoon Zürn leert op een Amerikaans congres de jonge onderzoekster Beate kennen. ‘Terwijl de academische filosofen hem als filosoof verdacht maken, maakt de jonge onderzoekster Beate hem het hof. Dat is schrikken, halverwege je 7de decennium. Hotelkamers, eenkamerflatje van de jonge academica, verrassende passie bij gedempt licht: de affaire is begonnen. In zijn vorig jaar verschenen roman noemde Walser datzelfde fenomeen, opbruisende ouderdomsgeilheid, Angstblüte.
… al na een paar dagen beseft hij dat hij helemaal niet wil zijn waar hij is, ook al krijgen zijn zintuigen aangename prikkels uitgedeeld. Hij wil naar huis, naar zijn vrouw, zijn uitzicht en zijn boot. Dat is schrikken voor beide betrokkenen… blijven het heimwee en het verlangen naar die ouder wordende vrouw aan de Bodensee, blijft het ‘ogenblik van liefde’ de vonk van betovering, het vuur van de verbondenheid?… Zürn constateert dat zijn liefde groter is dan zijn passie en dat dat niks met leeftijd te maken heeft…’
Dit is een deel van een boekbespreking die verder beschouwingen over filosofie bevat en roem over de stijl: ‘men wordt niet aflatend getracteerd op verbale lekkernijen, op formuleervernuft’, van Michael Zeeman in de Volkkrant van 14 april 2007. Bovengenoemd boek is in het Nederlands vertaald door Ria van Hengel, een vertaling die door Zeeman zeer wordt geprezen.