Het is inderdaad curieus dat zij reeds decennia doen waarvoor nu die aanbevelingen nodig zijn.
Deze omissie is structureel en komt voor bij alle beleidsmakers die praten over grote lijnen in de ontwikkeling van de publieke sector.
In 1981 deed ik in opdracht van het ministerie een onderzoek naar de vrijwilliger in de (psychosociale) hulpverlening (gepubliceerd bij van Lochum Slaterus) en kwam tot de ontdekking dat vrijwilligers een eigen waardesysteem hebben, dat anders is dan de professionals (toen). Bij het maatschappelijk werk in Amsterdam vond men dat ‘de vrijwilligers zo emotioneel reageerden’. Bij nazoeken kwam ik een aantal opvattingen tegen over het werk bij vrijwilligers die een bepaalde samenhang hadden die men zeker niet af kan doen met ‘emotioneel’.
Zij hadden er bijv. een hekel aan om mee te doen in de houding van de professionals dat cliënten gemotiveerd moeten zijn. Dus als ze niet op komen dagen, jammer dan. Vrijwilligers gingen ze opzoeken: ‘Waar was je nou, we hebben je gemist’. Helpdesk voor buitenlanders hadden niets te doen, maar vrijwilligers zochten ze op in de fabrieken waar ze werkten. Ik herinner me een brave traditionele vrijwilliger die verbaasd zei: ‘Weet je, die mensen worden uitgebuit!’
Enkele punten die vrijwilligers belangrijk vinden, zijn: ze zoeken mensen op waar ze zijn; ze komen snel; ze zijn bereikbaar ook buiten kantooruren; ze nemen ze soms op in hun privésfeer (en zijn daardoor wel kwetsbaar); ze hebben een hekel aan het bespreken van mensen in teams en aan registratie want ze vinden dat schadelijk voor iemands privacy; ze zijn niet alleen aan het hulpverlenen, maar mengen dat met allerlei andere dingen die je samen kunt doen; ze beperken zich niet tot hun 'cliënt' maar zien ook de andere personen in het gezin die de mist ingaan (Argos), ze richten zich op de persoon en niet op het probleem, je mag verschillende problemen hebben bij dezelfde vrijwilliger; ze zijn pragmatisch enz.
Als je dat bij elkaar optelt, dan blijkt dat dit de elementen zijn van vriendschap. Vrijwillige hulpverlening is georganiseerde vriendschap.
Ook die moeilijke combinatie van helpen en controleren kennen ze niet. Een ex verslaafde tienermoeder krijgt de GGZ op bezoek die controleert of ze de baby goed behandelt. Ze doet zich zo perfect mogelijk voor omdat anders haar baby wordt weggehaald. Maar bij een vrijwilligster/moeder kan ze al haar vragen en zorgen kwijt zonder gevaar.
Verpleegsters kozen hun vak omdat ze mensen wilden helpen, maar hun vakinhoud werd steeds technischer. Ze zijn soms jaloers omdat alleen de vrijwilligers tijd hebben om lang bij iemand te zijn en echt te luisteren en te praten.
In verpleeghuizen zijn de verzorgenden vooral blij dat er iets wordt gedaan voor de bewoners. Bezighouden van licht-dementerende is bovendien een belangrijke preventie van agressie.
Vanuit de eigen professionele positie was het vaak moeilijk vrijwilligers in hun waarde te zien. In een intramurale instelling voor moeilijk opvoedbare jongens in Zuid Holland kwam eens een man van middelbare leeftijd aan de deur. Hij dacht dat hij misschien iets kon betekenen voor een van de jongens. Hij werd weggehoond. ‘Wist hij wel hoe moeilijk dit werk was? Zij, die ervoor hadden doorgeleerd, konden het al bijna niet, wat dacht die amateur dan wel te kunnen?’ Hij droop af, maar had er geen vrede mee. Hij kwam terug omdat hij dacht toch echt iets voor een jongen te kunnen betekenen. Toen gaven ze hem de moeilijkste jongen die ze in huis hadden, geheel onhandelbaar. Maar hij trok ermee op, gaf hem veel aandacht, ging dingen samen doen… en de jongen bloeide op door al die aandacht voor hem alleen, zodat hij zelfs vrij snel het instituut kon verlaten. En hij hield ook buiten de instelling ‘zijn’ vrijwilliger. Een aanpak die lijkt op wat nu als een nieuwe professionele methode overgenomen is uit Amerika, in een project als reactie op het mislukken van Glenn Mills.
Dwars door alle ontwikkelingen heen heeft dit vrijwilligerswerk de eigen kenmerken behouden. En de vrijwilligers vinden het ‘leuk om te doen’.
De overheid promoot luidkeels het belang van vrijwilligerswerk, maar is verdacht omdat men denkt dat er een bezuinigingsdoel achter steekt. Ze verwacht ook verkeerde dingen, zoals overname van thuiszorg. En trouwens, op plekken waar het er toe doet heeft de overheid geen invloed of wil men nieuwe initiatieven meteen weer koloniseren. Ik ben lang bestuurslid geweest van Jeugdzorg Gooi, maar kon de directeur, die zich beriep op de medewerkers, niet bewegen eens verder te kijken als kinderen een half jaar moeten wachten op een intake. Met een vriend/mentor/maatje/big sister etc hebben ze in ieder geval alvast iemand die naar ze luistert en ze meeneemt en wat afleiding bezorgt. Maar men was bang dat de professionaliteit van de eigen organisatie onder druk zou komen te staan, bovendien hebben ze een hecht team, allemaal professionals, met een eigen jargon. Dat is overigens een probleem dat men met een goede organisatie, bijvoorbeeld een eigen stichting, goed had kunnen opvangen, maar de wil was er gewoon niet. Men was gesloten en defensief, vooral door externe druk.
Marktwerking helpt niet bepaald. Het Slotervaart ziekenhuis wilde een flitsender imago en zette recentelijk de, meest oudere, vrijwilligers van de ene op de andere dag op straat. Landelijke verontwaardiging. Nu mogen ze 1x per maand terugkomen om thee te drinken. Maar goede begeleiding kregen die vrijwilligers niet.
Vrijwilligers zijn medewerkers van professionals, maar hebben soms dezelfde problemen als cliënten, zoals blijkt uit een ingezonden brief van een pleegzorgechtpaar in Trouw d.d. 1-8-2008.
En als men plaatselijk nieuwe initiatieven heeft van burgers (dus vrijwilligers) in een wijk, is er bij een verdere ontwikkeling vaak vanwege de tijdsinvestering een betaalde coördinator nodi+g, die dan weer meteen ondergebracht wordt bij de welzijnsinstelling met alle gevaren van dien. Tenzij een sterke vrijwilligersorganisatie het op zich neemt (Humanitas e.a.).
Vrijwilligerswerk lag al die jaren als een warme, maar heel dunne en kwetsbare deken over de hele hulpverlening, en deed wat nu de professionals soms weer moeten leren. Zij hadden gelukkig in hun uitvoerende werk minder last van de bureaucratische ontwikkelingen, al zijn er, in geval van subsidie, wel veel klachten.
Ik zou willen dat die 3 miljoen vrijwilligers in Nederland, waarvan ongeveer een kwart in de hulpverlening, met hun heel eigen bijdrage juist in de ontwikkelingen die in ‘Ontregelen’ beschreven worden, belicht zouden worden. Maar ik constateer dat er zo weinig bekend is! Bij opleidingen weten de docenten niks over vrijwilligerswerk en vooral niet over de organisatietypen waarbinnen dat werk plaatsvindt, terwijl kennis daarover voor goede management onontbeerlijk is. Ik merk steeds dat men er niks van weet. Ik bied wel eens aan een gastcollege te geven, maar dat wordt afgewezen. Het moet ook structureel gebeuren.
De landelijke overheid rommelt ook met de termen en noemt bijvoorbeeld vrijwilligerswerk en mantelzorg samen één werksoort, terwijl deze fundamenteel verschillen.
Deze niet goed te praten onbekendheid heeft verschillende oorzaken. De toenemende defensiviteit van (sommige) professionele organisaties en de daaruit voortvloeiende onkunde kan ook goed verklaard worden vanuit de ontwikkelingen die van der Lans beschrijft. Maar erg volwassen is het allemaal niet.
De officiële beschrijvingen van de hulpverleningssector, èn beschrijvingen van vrijwilligerswerk… het lijkt wel of 'never the twain shall meet', maar ik zou dat zo graag willen. Ere (en plek) wie ere toekomt. Ten overvloedde: vrijwilligers zijn niet beter dan professionals of omgekeerd: ze doen andere dingen. Professionals wordt aangeraden hun vakkennis op peil te houden, helemaal mee eens. Maar ga van vrijwilligers geen halfbakken professionals maken. Ze hoeven niet meer te leren dan voor hun taken nodig is: omgangsinformatie, EHBO e.d. Ze hebben wel goede organisatie en steun nodig en gelukkig krijgen ze die ook in de meeste gevallen.
Bussum, 2008, Liebje Hoekendijk
Uit: Kan ik iets doen? Gids voor vrijwilligerswerk, uitgegeven bij SWP